HISTORIEK


De geschiedenis van Ulbeek (Nota's over de kerken van het Luikse diocees.)geschreven door Kanunnik Joseph Daris oorspronkelijk in het frans vertaald in het Nederlands door Jo D'haeseleer

1/ Parochie Ulbeek
Théoduin, bisschop van Luik (1048-1075), kocht van de vrije mannen Francon en Hislin een erfleen vrij van lasten, in het dorpje Ulbeek. Hij gaf het in 1067 aan de kerk "de Notre-Dame" in Huy door in de handen van Walter, procureur van deze kerk, voor het levensonderhoud van de kanunniken die toen in gemeenschap leefden; echter reserveerde hij het vruchtgebruik voor zijn neef Sigfrid, onder de voorwaarde ieder jaar 30 stuivers, "solidi", aan de kanunniken te betalen; en regelde dat na de dood van Sigfrid, de kanunniken vrij iemand mochten aanstellen voor het beheer van dit goed, zonder dat de provoost dergelijk recht kon eisen. De opvolging van deze erfleen moest door de provoost gebeuren en niet door de procureur van de kerk; deze kon echter,  de door de meier en zijn minister veroordeelde mensen,  verplichten de boete (waarvan hij 1/3 voor hem is) te betalen. Het was niet toegelaten om giften te eisen van de bewoners, ze te belasten met afpersing of de functie van de provoost in leen te geven. Voor deze akte  van schenking getuigden: Herman, provoost en aartsdiaken, Boson, aartsdiaken, Godescale, aartsdiaken, Albert, graaf van Namen, Conon, graaf van Scherpenheuvel, Adalbert, graaf, en zijn broer, Herman, graaf, Godefroid de Florennes, Godescale de Ciney en Herman de Heis.                                                                                                                                 

De inwoners van Ulbeek die rond het jaar 1129  de gronden van het kapittel van Huy bebouwden, hielden staande dat ze slechts 4 duiten per 1,40 hectare (bonder) moesten betalen, terwijl het kapittel er 6 eiste. Om dit conflict op te helderen en op te heffen, werd door het kapittel provoost Thierry en enige kanunniken naar Ulbeek gedelegeerd en de bisschop  stuurde Balduin. Na het oordeel van de meier en de schepenen en in het bijzijn van hun pastoor Robert met afgevaardigden, kwamen de inwoners tot inkeer dat ze zes duiten per 1,40 ha schuldig waren. Aan dit tarief kregen ze de gronden van het kapittel opnieuw in pacht en zworen  op de naar Ulbeek gebrachte relikwiekast van "Saint-Domitien" dat ze voortaan deze cijns zouden betalen. Na ontvangst van dit contract maakte bisschop Alexander er een authentieke akte van. Getuigen van deze akte waren de aartsdiaken: Steppon, provoost, Jean, Herman;  de kanunniken van "Saint-Lambert": Reinzon, deken, Henri, Arnoul-Henri, Anselme;  de kanunniken van de kerk van Huy: Thierry, provoost, Francun, deken, Guillaume, Roger, Lambertr, Bovon, Gislebert, Bernard; de graven: Arnoul van Looz, Lambert van Scherpenheuvel; de vrije mannen: Wiger, procureur van Haspengouw, Guillaume van Ciney, Walther van Barse, Godescale van Jauche, Reinbald van Jesseren, Wiric van Colmont, Renier van Heylissem; de ambtsdragers van het hof van de prins-bisschop: Wédéric, drossaard of hofmeester, Conrard, keldermeester, Lambert, Arnoul, Mengold, Bernard en Engleram.  

Pastoor Robert, vermeld in deze akte van 1129, is de oudste bekend. Het tijdperk van de oorsprong van de parochie van Ulbeek is niet gekend. Het kapittel van Huy genoot van het patronaat over haar, en kon hierdoor de pastoor benoemen. Door een akte van 26 december 1247, nam legaat Pierre Capuce het pastoorschap op in de prebende van de collegiale van Huy om het jaargeld  hiervan te verhogen, zodat de kerk van Ulbeek later  voortdurend door een vicaris met voldoende aandeel kon bediend worden.                         

Drie eenvoudige prebendes werden reeds voor 1477 in de kerk van Ulbeek ingeschreven: die van "Notre-Dame, die van de "Saint-Denis" en "Sainte-Barbe"en die van "Saint-Georges" en "Sainte-Catherine"; allen onder de begeving van de pastoor. De eerste werd verenigd met het pastoorschap in 1603 om de inkomsten te verhogen, en de derde werd reeds beëindigd voor 1658 door het verlies van de dotatie. De kerk was gewijd aan Sint Rochus, wiens feest zeer plechtig gevierd werd. De pastoors van Berlingen, Gothem, Hoepertingen, Alken, Wellen en Zepperen kwamen er die dag voor de heilige mis zorgen en gaven door hun aanwezigheid meer luister aan de processie. Waltheri van Luik had zelfs voor het jaar 1654 een stichting gedaan voor dit doel. Alle gelovigen vanuit de buurt woonden het feest van Saint-Roch graag bij. Deze toeloop van gelovigen gebeurd heden ten dagen nog.                          

De pastoors Jean Sympeels, van Ulbeek, geciteerd in 1461, Robert Cuylinx, geciteerd  in 1477, André de Kelchtem, geciteerd in 1499, Gisbert Hollander, gecityeerd van 1504 tot 1543, Jean Boschir, geciteerd in 1543, Denis Guillaume Hilst, kanunnik van Saint-Denis, geciteerd in 1548 en 1550, Jacques de Mérodde, genoemd in 1550, Henri Coex, kapelaan van Saint-Martin, genoemd in 1550, verbleven niet in Ulbeek , maar lieten zich vervangen door vicarissen. Guillaume de Hoerne die het priesterschap bekwam in 1566, kwam in Ulbeek wonen, oefende zelf de pastorale taken uit. Het concilie van Trente had de oude wet hernieuwd waardoor de pastoors verplicht in parochie moesten wonen. Gerard  de Groesbeek (1563-1580) liet de wet strikt toepassen. Pastoor Jean Bertheau, kanunnik van Huy, geciteerd in 1583 en 1588, liet zich vervangen door Arnold Salmon; maar Winand Glabbeek, genoemd in 1596, en Jean Roeders,  overleden in 1606, verbleven in Ulbeek. De wet van het concilie van Trente, dat alle pastoorschappen van het kerkelijk patronaat verplicht waren toe te passen, werd in 1606 in de parochie van Ulbeek van toepassing. Christophe Petri, van Sint-Truiden, jonge priester van het seminarie  van Luik bekwam het priesterschap maar slechts voor 10 jaar. In 1616, wisselde hij met Walter Cassen, pastoor van Kermpt. Deze nieuwe pastoor  overleed in Ulbeek in de maand december 1620. Hij is het die in 1606, de registers van dopen, huwelijken en overleden begon, registers die nu nog bestaan.                          

Het kapittel van Huy kende de onbezette kerk toe aan Thomas Steynen van Sint-Truiden, die in Leuven had gestudeerd. De aartsbisschop van Haspengouw gaf  hem de canonieke instelling. Daar het pastoorschap niet werd verleend tijdens de toevloed, beschouwde de vicaris generaal de begeving als nietig, en gaf het bevel aan Steynen,  op straffe van schorsing, geen enkele herderlijke functie waar te nemen. Steynen haalde zich de schorsing op de hals, maar had er snel spijt van. Op 10 maart 1621, dag van de toevloed, ging hij naar Luik, onderwierp zich aan de vicaris generaal en bekwam het pastoorschap na het afleggen van de proef. Het kapittel van Huy en de aartsdiaken van Haspengouw, die Steynen gesteund hadden, dachten, en niet zonder reden, dat het pastoorschap van Ulbeek, dat in het kapittel opgenomen werd, niet in de wet van de toevloed begrepen werd.                                                             

Wanneer de aartsbisschop de kerk in 1658 bezocht, vond hij deze in goede staat, voorzien van voldoende ornamenten en dat de pastoor goed zijn werk deed. De bevolking van de parochie was in die tijd ongeveer 150 communicanten. Pastoor Steynen overleed op 15 januari 1662.                      
Jean Jacobs volgde hetzelfde jaar Steynen op. De aartsbisschop die een bezoek bracht aan de parochie en de kerk in 1666 vond niets te hervormen. In 1668, onder het predikambt van Jacobs, werd de parochie door een epidemie verwoest. Er vielen toen 17 slachtoffers. Onder zijn opvolger, Denis Jacobs, waren er, in 1676, 35 slachtoffers. Deze plaag werd waarschijnlijk door vreemde troepen  in de parochie gebracht.                                                          

Quetin Huybrechts nam in 1679 bezit van het pastoorschap van Ulbeek en regeerde de parochie tijdens meer dan 33 jaar. De kerk zou  tijdens de oorlogen van 1666 tot 1678 overrompeld en geplunderd zijn, want toen de aartsbisschop in 1680 op bezoek ging,  vond hij er noch een monstrans, noch een ciborie, noch ornamenten met uitzondering van een kazuifel. Daar de kerk een ruïne dreigde te worden, gaf hij het bevel  om onmiddellijk de herstellingswerken te beginnen aan het kapittel van Huy, die hiertoe verplicht was door haar heffing van de tienden. De herstellingswerken hebben ongeveer 200 florijnen gekost. De pastorie was onbewoonbaar geworden, en de pastoor ging in 1709, huizen bij zijn confrater van Herten; de aartsdiaken gaf hem in 1712, het bevel om in zijn parochie te wonen, en tegelijker tijd het bevel aan de gemeente om de pastorie te herstellen. Tijdens zijn bezoek in 1712, vond de aartsbisschop de kerk zeer bouwvallig en eiste van het kapittel van Huy een onmiddellijke herstelling.                                                                                                                     

De wederopbouw gebeurde pas in 1716, onder het predikambt van Jean-Mathias Vrerix, die een kamer van de pastorie verbouwde  in kapel tijdens de hele duur van de werken. De nieuwe kerk kostte ongeveer 7 duizend florijnen.   Pierre Tulleners volgde  Vrérix op. In 1726, bezocht de aartsbisschop de kerk en de parochie en vond niets dat moest hervormd worden. Tulleners  overleed  op 15 september 1730.   Oger-Christophe Van Langenacker, van Kerniel, regeerde vreedzaam  de parochie Ulbeek tot hij stierf op 28 juli 1753.   Zijn opvolger Nicolaï, van Gorsom, stichte in zijn kerk de broederschap van "Saint-Nicolas" en bekwam hiervoor, de tweede januari 1755, verschillende aflaten van  Benoît XIV. Hij overleed op 12 maart 1761.  Arnold Stasseyns, die Nicolaï opvolgde, had een lang (van 1761  tot 1795) predikambt gevuld met goede doelen.  De goederen van het kerkfabriek en de inkomsten der armen werden in Ulbeek beheerst zoals in alle andere landelijke parochies.                                                   

De koster werd benoemd door de burgemeesters en de gemeente op het voorstel van de pastoor. In 1772, werd de  pas benoemde Arnold-Jacques Craeybeckx, verplicht een school te hebben en er het Latijn te onderwijzen "aen de curieuse". Het is de eerste melding van school dat we gevonden hebben. In 1795, toen de koster pastoor van Ulbeek werd, werd hij door de burgemeesters, de ordinarissen  en de gemeente vervangen door François Kesen, die ook school moest houden met toelating om van ieder kind een maandelijks schoolgeld  van 5  stuivers te vorderen.                                          

Jacques Craeybeckx van Ulbeek moest de slechte tijden van de franse revolutie doormaken. Daar hij weigerde een verklaring en een eed van haat ten aanzien van het koningschap af te leggen, werd zijn kerk gesloten en zijn pastorie verhuurd.  Beambte  Wouters werd huurder, maar liet de beschikking over aan de pastoor. De inboedel van de kerk werd op 11 november verkocht voor de som van 105 frank aan Mellemans, die hem aan de plaats van bestemming teruggaf . De pastoor werd verbannen  maar kon per geluk ontsnappen aan achtervolgende gendarmen tijdens een huiszoeking op 5 januari 1799. Gedurende de reorganisatie  van de parochies in 1803, werd Craeybeckx voor het pastoorschap van Ulbeek behouden, en werd door zijn deugden en werken een goede pastoor  voor zijn kudde tot op zijn overlijden in 1810.                      

De opvolgers van Craeybeckx waren Guillaume-Séverin Wyshoff van Tongeren (1810-1840); Jean-Henri Pluymaekers van Nuth (1849) onder welke de nieuwe kerk gebouwd werd; Joseph-Casimir Cuypers van Quaedmechelen (1849-1852); J.Laporte van Wanghe (1852-1854); Henri Bynens van Antwerpen (1854).

2/ De gemeente of "communitas" van Ulbeek.
De gemeente van Ulbeek werd bestuurd door twee burgemeesters, jaarlijks verkozen door de bevolking. Deze twee leiders hielden zich enkel bezig met de dagelijkse administratie, de belangrijke zaken werden voor de gemeente zelf voorbehouden, die na het luiden van de klok samen kwamen op het dorpsplein (op den pleyn des dorps).                                                                                             

In den beginne was er maar een burgemeester die tegelijkertijd de gemeentelijke duiten invorderde. Later wanneer een belasting op onroerend goed werd ingevoerd om de betaling van de afpersing door vreemde legers te  kunnen betalen, werden jaarlijks twee burgemeesters verkozen. De inkomsten van deze belastingen en andere inkomsten werden onder hen verdeeld. Het grondgebied werd hiervoor in twee districten verdeeld.  Het bedrag van de grondbelasting werd jaarlijks door de gemeente vastgelegd. De gronden bewerkt door  de inwoners werden binnebonders genoemd, de gronden bewerkt door inwoners van nabije dorpen noemde men de buytebonders.       In de loop van de XVIIIe eeuw, richtte de prins, tussen de twee burgemeesters en  de gemeente, een korps van beheerders als tussenpersonen genaamd: "manschappen, ordinaire regenten"; dat waren de oude burgemeesters waaraan de regerende burgemeesters raad moesten vragen.                              

In de loop der tijden, werd de gemeente Ulbeek verplicht al de gemeente goederen te verkopen, voornamelijk om aan de revolutionaire eisen in de XV, en aan de vreemde soldaten in de XVI eeuw te voldoen. Midden XVII eeuw was het enkel nog eigenaar van een onbebouwd terrein van een bonder, genaamd "Driesch". De grondbelasting, die ieder jaar,  naargelang de behoefte, vastgelegd werd was het enige geldmiddel; in 1665 bracht die belasting 740 florijnen van Luik op.                                                                                                    

De oorlog tussen Lodewijk de XIV, koning van Frankrijk, de Spanjaarden en de Duitsers was even noodlottig voor Ulbeek als voor de andere dorpen. Gedurende vijf jaar (1672-1677), moesten de inwoners voortdurend afpersingen van de oorlogvoerende landen (Fransen, Hollanders, Spanjaarden en Duitsers) ondergaan. Graangewassen,  vee en veevoeders werden dikwijls weggenomen. De 25e februari 1674 deelden de burgemeesters aan de bevolking mede dat, gezien de gemeente geen belastingen aan de Fransen had betaald, dat die de 23e februari van die maand de paarden van Willem Claes waren komen halen en ze naar Maestricht hadden gedaan. De burgemeesters vroegen de toelating om twee a driehonderd pattacons (1 pattacon = 48 stuivers) te lenen om de paarden terug te kopen en andere terechtstellingen te voorkomen:
"Is voorgehouden hoe dat sy, faut van betaeling der fransche contributien, op den 21 deser loepende maendt 's avonds syn geexecuteert geweest door die selve in die perden van Willem Claes, en dat zy om die selve te lossen, en ook om die voordere aenstaende executien te beletten, geen geld aen die hand hebben, noch oock uyt honne schatschedulen meer kunnen bekomen om die groote  steriliteyt, miswasch en sware siekten, welke die gemeyntenaren dit jaer hebben onderstaen, waerom die voorscreve gemeyntenaren geraedsaem gebonden hebben ten interesse te nemen eene capitale somme van twee of drie hondert pattacons."
Hetzelfde jaar, werden bewoners als gijzelaars meegenomen naar Maestricht. Deze werden pas vrijgelaten nadat Théodore Spriewaert ter plaatse het losgeld van 1096 florijnen had betaald. In die tijd had de gemeente al kapitalen moeten lenen waarvan de jaarlijkse intresten 339 florijnen bedroeg. De buitenlandse legers bleven zware belastingen opleggen; zo bracht in 1675 burgemeester Michel Prys een bedrag van 2.528 florijnen naar de Fransen in Maestricht, en een bedrag van 307 florijnen naar de Spanjaarden in Léau. In 1677, bedroeg de grondbelasting 7 florijnen en 10 stuivers per bonder en 3 florijnen per huis. Na de vrede in 1678, verminderde de gemeente de grondbelasting daar ze, om zo te zeggen, enkel nog de intresten van geleende kapitalen moesten betalen. Voor het jaar 1686 werd het bedrag vastgelegd op 4 florijnen per binnenbonder, tot 3 florijnen per buitenbonder en een halve florijn voor een bonder van hout. Er waren ongeveer 421 bonders en 35 huizen aan deze belastingen onderworpen.                                                                                            

In 1689, werd ons land opnieuw het belangrijkste toneel voor de oorlog herbegonnen door Lodewijck XIV. De dorpen van het graafschap Looz werden betrokken en uitgeput. De gemeente Ulbeek bracht in 1689 het bedrag van de grondbelasting op 7 florijnen per interne bonder, 3 florijnen per externe bonder en 2 florijnen per huis. Grote geldbedragen werden naar de Fransen in Huy en in Luik gebracht.                                                                                                    

De uitgaven van de gemeente voor het jaar 1690 bedroeg 8.079 florijnen. Op 22 maart 1690 kwamen de dragonders van Hesse in Ulbeek aan, in de maand december de soldaten van het regiment van Berlo, en, in de maand april 1691 soldaten van het regiment van de markies van Montpilian. De grondbelastingen waren onvoldoende om de afpersingen te voldoen, en de gemeente moest verschillende leningen aangaan tot een bedrag van 6.000 florijnen. Het gerechtshof van Ulbeek  maakte op 14 januari 1696 met een authentieke akte bekend wat de inwoners hadden moeten uitstaan:  "In het jaar 1690 werden de grootte van de bedragen voor het bestaan van de gemeente gezet op 17 florijnen per bonder; in 1691 op 14 florijnen;in 1692 op 14,5 florijnen; in 1693 op 15 florijnen; in 1694 op 7 florijnen, in 1695 op 20 florijnen. Door deze lasten werd alles zo extreem en miserabel dat meer dan de helft van de inwoners gedeserteerd hebben of hun woonplaats verlaten; tevens  was meer dan de helft van de huizen onbewoond en een groot deel van jurisdictie onbebouwd. En wat nog meer is, in 1694, toen de hele gemeenschap  met  hebben en  dieren, toevlucht gezocht had in het kasteel van Trockart, werden alle huizen volledig door de Fransen geplunderd en de veevoeders weggenomen zodat de bewoners zonder levensmiddelen zaten. Datzelfde jaar  werd de boerderij van juffrouw Vrerix van Hasselt door de Fransen  verbrand, en andere schaden toegebracht; François Coex werd gevangen genomen en zit nog steeds in het kasteel van Dinant" De vrede gesloten in 1697 maakt een einde aan deze afpersingen.                                                                                                                    

Tijdens de successieoorlog voor de troon van Spanje (1701-1713), moest de gemeente Ulbeek levensmiddelen en veevoeders leveren en de soldaten logeren, vooral in 1703,1706 en 1709. Hetzelfde gebeurde in 1747 en 1748; tijdens de zevenjarige oorlog tussen Frankrijk en Oostenrijk; maar de bijdragen geleverd door de inwoners tijdens deze oorlog werden hen gedeeltelijk terugbetaald door verschillende betalingen. De gemeente Ulbeek ontving bij de tweede betaling 1042 florijnen en 1736 florijnen bij de derde. Deze werden verdeeld onder de inwoners naargelang hun bijdragen.                                        

De inwoners van Ulbeek , zeer trouw aan de prins-bisschop van Luik, waren helemaal niet van plan om deel te nemen aan de revolutie, tegen hem opgeroepen door de deïsten patriotten in 1789. Het was dan ook enkel onder bedreigingen  van generaal Donceel en van kolonel Grisar  dat acht vrijwilligers het leger van de patriotten diende van juni tot september 1790.                        De verovering van ons land door de Fransen in mei 1794 was het begin van een periode van publieke rampen. De militaire opeisingen bleven onverminderd duren tijdens meer dan drie jaar. We zien, in de rekeningen van de gemeente Ulbeek voor het jaar 1795, dat de inwoners om aan de opeisingen te voldoen een belasting betaalde van 6 florijnen per bonder, 1,5 florijn op ieder huis,paard en koe, 15 stuivers voor iedere vaars, veulen en zeug, 6 florijnen voor ieder duivenkot en 6 penningen per schaap; deze belasting bracht 3.250 florijnen op.                                                                                                                        

Het nieuwe Franse gemeentelijk regime werd in 1796 in Ulbeek geïntroduceerd. Op 10 april van dat jaar, benoemde de inwoners J.-W. Wouters als agent, en Winand Derie als adjunct nadat  hun beloofd werd hen te waarborgen tegen alle schade die hieruit zou kunnen voortvloeien, waarschijnlijk voor de gebeurlijke weerinstelling van de bisschop van Luik in zijn prinsdom. Deze twee bestuurders toonden zich steeds welwillend tegenover de godsdienst en de geestelijkheid, en voor zoveel ze konden werd de toepassing van de Franse wetgeving tegen de kerk verzacht.                                                 

Hierna de reeks burgemeesters waarvan de namen in het archief van de gemeente gevonden werden:
1664  Abraham Van Elsbroeck  en Martio Moens.
1665  Henri  Clercx  en Jean Voertmans.
1666  Jean  Moers  en  Antoine  Van  Gutschoven.
1667  Michel  Prys  en  Guillaume  Hayes.
1668  Mathieu  Briers  en  Jean  Briers.
1669  Jean  Briers  en Jean  Boes.
1670  Jean  Clercx  en André   Martens.
1673  Jean  Clercx  en  Guillaume  Timmermans.
1674  Guillaume  Jamar  en  Henri  Clercx.
1675 Guillaume  Liefsoens  en  Jean  Moers.
1676  Mathieu  Briers  en  Arnold  Coemans.
1677  Jean  Moers  en  Guillaume  Clercx.
1686  Jean  Moers  en Arnold  Coemans.
1687  Henri  Van  Hacht  en  Jean  Clercx.
1688  Arnold  Voertmans  en  Henri  Van  Hacht.
1689  Henri  Van  Hacht  en  Jean  Clercx.
1690  Arnold  Coemans  en  Arnold  Briers.
1697  Henri  Craninx.
1698  Pierre  Briers  en  Henri  Hertoghs.
1699  Pierrre  Briers  en Tilman  Esselen.
1700  Laurent  Moers  en  Arnold  Briers.
1701  Jean  Clercx  en Laurent  Vandercapellen.
1702  Arnold  Coemans  en  Pierre  Froyen.
1703  Matthieu  Troquet  en  Guillaume  Hamonts.
1704  Jean  Boes  en  Pierre  Briers.
1705  Chrétien  Van  Langenacker  en  Arnold  Briers.
1707  Pierre  Briers  en  Lambert  Moers.
1709  Arnold  Craninx  en  Chrétien  Vanlangenacker.
1710  Matthieu  Troquet  en Jean  Jans.
1711  Pierre  Coemans  en Gilles  Bils.
1712  Jean  Esselen  en  Matthieu  Claes.
1713  Pierre  Briers  en  Lambert  Moers.
1714  Jacques  Hertoghs  en  Chrétien  Vanlangenacker.
1715  Matthieu  Troquet  en  Guillaume  Hamonts.
1716  Arnold  Craeybeckx  en  Gilles  Goffin.
1718  Jaques  Hertoghs  en  Chrétien  Vanlangenacker.
1749  Roch  Vanlangenacker  en  Gilles  Bilst.
1750  Jean  Wouters  en  Arnold  Briers.
1751  Jean  Wouters  en  Pierre  Claes.
1752  Tilman  Esselen  en Jean Claes.
1753  Jean  Coemans  en  Hubert  Hauwart.
1754  Libert  Mellemans  en  Godefroid  Neven.
1755  Henri  Craeybeckx  en  Jean  Neven.
1756  Jean  Wouters  en Arnold  Briers.
1757  Matthieu  Hamonts  en  Pierre  Claes.
1758  Arnold  Briers  en  Pierre  Claes.
1759  Guillaume  Brandts  en  Libert  Mellemans.
1760  Roch  Vanlangenacker  en  Laurent  Bilst.
1761  Henri  Esselen en  Godefroid  Neven.
1762  Jean  Wouters  en  Gilles  Bilst.
1763  Tilman  Esselen  en  Pierre  Claes.
1764  Henri  Craeybeckx  en  Jean  Coemans.
1765  Lambert  Wouters  en  Gilles  Bilst.
1766  Pierre  Esselen  en  Pierre  Claes.
1767  Libert  Mellemans  en  Pierre  Neven.
1768  Jean  Brandts  en  Arnold  Briers.
1769  Tilman  Esselen  en  Jean  Moers.
1770  Jean  Coemans  en  Jean  Bilst.
1771  Pierre  Claes  en  Godefroid  Neven.
1772  Roch  Vanlangenacker  en  Pierre  Claes.
1773  Herman  Balen  en  Pierre  Esselen.
1774  Guillaume  Claes  en  Arnold  Froyen.
1775  Jean  Bilst  en  Henri  Craeybeckx.
1776  Godfroid  Neven  en  Henri  Vanlangenacker.
1777  Tilman  Esselen  en  jean  Moors.
1778  Winand  Derie  en Jean  Coemans.
1779  Winand  Derie  en Pierre Claes.
1780  Lambert  Wouters  en  Jean  Moors.
1781  Henri  Vanlangenacker  en  Jean  Bartholomei.
1782  Jean  Moors  en  Conrard  Gaens
1783  Henri  Craeybeckx  en  Arnold  Boes.
1784  François  Kesen  en  Jean  Van  Bilsen.
1785  Lambert  Wouters  en  Arnold  Froyen.
1786  Winand  Derie  en  Thomas  Smets.
1787  Jean  Coemans  en  Matthieu  Claes.
1788  Lambert  Wouters  en  Jean  Neven.
1789  Henri  Craeybeckx  en  Henri  Vanlangenacker.
1790  Jacques  Oris  en  Jean  Van  Bilsen.
1791  Henri  Claes  en  Matthieu  Claes.
1792  Winand  Derie  en Lambert  Wouters.
1793  Henri  Vanlangenacker  en  Henri  Craeybeckx.
1794  Jean  Neven  en Jean  Billen.
1795  Winand  Derie  en  Guillaume  Wouters.
1796-1808  Guillaume  Wouters,  agent van de Républiek en burgemeester van de  Empire.
1808-1862  Gilbert  Ghysens.
1862-1864  Henri  Craeybeckx.
1864-1867  Lambert  Pexters.
1867              Antoine  Hayen.  

3/ De heerschappij van Ulbeek.
Ulbeek was een heerschap van het kapittel van Notre-Dame te Huy, die de meier , zijn zeven schepen en de secretaris van het plaatselijk gerechtshof benoemde. De meier van dit gerecht werd reeds in de oorkonde van 1067 vermeld.                                                                                                                         

  De rekeningen van de gemeente voor de jaren 1688 en volgende werden goedgekeurd door de erfelijke advocaten van de heerschappij,  erfvochden dezer heerlyckheyt,  Octave-Jacques d'Ebelsbach en Arnold de Mombeek. In 1743, werd Guillaume Walrave baron van Geloes aangesteld als advocaat door het kapittel van Huy. Dit zijn de enige inlichtingen die hierover werden gevonden.

A. Het kasteel van Trockart.
Het domein van Trockart bevatte, tijdens de XVII en XVIII eeuw, een kasteel met ongeveer 20 bonders van grond die voor de meeste niet allodiaal (eigen goed) waren. Het gehucht van Trockart was geen privaat heerschap.
I. De oudste gekende eigenaar van het kasteel is Nicolas de Vocht, die in de publieke aktes staat met de hoedanigheden van domicellus, joncker. Hij werd ook genoemd als Heer van Berlingen. Hij huwde Elisabeth van Rijkel, die overleed in 1632, en had 4 kinderen: a) Nicolas de Vocht; b) Anne de Vocht, die in 1612 huwde met Richard de Voordt, heer van Rullingen; c) Marie de Vocht huwde Gulillaume 's Groets; d) Jeanne de Vocht, die huwde met Louis de Créqui. Zie Lefort, Manuscripten over stambomen.
II. Nicolas de Vocht trouwde met Marie Spriwaerts. Ze bewoonde het kasteel van Trockart en hadden er acht kinderen. Nicolas stierf in 1648  of 1649, en Marie op 12 juli 1673. De kinderen zijn: a) Marie-Anne de Vocht, kloosterzuster in Orienten; b) Marguerite de Vocht, die trouwde met Théodore Spriwaerts, van Sint-Truiden; c) Jolende-Catherine de Vocht, kloosterzuster in Terbeeck , Sint Truiden; d) Christophe-Nicolas de Vocht; e) Laurent-Théodore de Vocht, hierna; f) Anne-Dorothée de Vocht, kloosterzuster in Parc-les-Dames bij Leuven; g)Antoinette de Vocht; h) Marie-Eléonore de Vocht die met Gilles Tackoen  van Ulbeek huwde; zij stierf in Sint-Truiden op 19 juni 1702.
III. Laurent-Théodore de Vocht huwde met Sibylle de Aert de Lotthum, op 3 november 1679, en woonde met haar in het kasteel van Trockart. Hij stierf op 24 april 1694, zes kinderen nalatend die allen in Ulbeek geboren werden: a) Nicolas-François-Louis de Vocht, die in 1717 te Looz met Isabelle de Schleyden huwde; hij stierf  in 1738; b) Marie-Sibylle-Eléonore de Vocht, die Jean-Charles Vandernoot huwde en met hem in Sint-Truiden verbleef; c) Jean-Théodore de Vocht, hierna; d) Guillaume-Gérard de Vocht, ordeskanunnik van Sint-Augustijn in de abdij van Flône en priester van Engis, waar hij rond 1740 overleed; e) Louis-Gérard de Vocht, luitenant in dienst van Holland in het regiment van brigadier Spaen, die trouwde met Marie Hoep; f) Jeanne-Antoinette de Vocht, die op haar dertiende overleed.
IV. Jean-Théodore de Vocht huwde met Agnès-Marguarite Lintjens, waarmee hij meerdere kinderen had: a) Lambert-Jacques de Vocht, luitenant bij het Duitse regiment van graaf Lamark in dienst van de koning van Frankrijk; hij stierf  voor het jaar 1748; b) Laurent de Vocht; c) Guillaume de Vocht; d) Christophe de Vocht; e) Othon-Henri de Vocht. Deze vier laatste  werden in Ulbeek geboren van 1719 tot 1726.
In 1734 verkochten de drie broers, Jean-Théodore, Nicolas-François, Louis de Vocht en de kinderen van hun zus Sibylle-Eléonore het landgoed van Trockart voor 10.50 florijnen van Brabant aan Jeanne Gobert, gravin van Aspremont-Recheim. Deze verkocht het weer, in 1736, voor 11.000 florijnen aan Richard Peirson.
V. Richard Peirson, geboren van Richard Peirson in Engeland, waar hij eigenaar was van mooie eigendommen, had zich in Luik gevestigd. Hij had een dochter genaamd Suzanne-Catherine, die huwde met Denis-François Lamotte, goudsmid te Luik, en een zoon genaamd Patrice-Richard, die in 1739, uit de verdeling der goederen, het landgoed van Trockart bekwam.
VI. Patrice-Richard Peirson van Holbach, advocaat te Luik, huwde Cécile-Anne Plotho. Op 5 mei 1744 werd hun zoon geboren, genaamd Jean-Antoine-Henri. Het landgoed van Trockart werd rond 1747 of 1748 de eigendom van Jean-Joseph Tournaye.
VII. Jean-Joseph Tournaye, gewezen kapitein in dienst van de Staten Generaal  van Holland, woonde in het kasteel van Trockart en belastte zich nogal dikwijls met de dienstneming van vrijwilligers voor buitenlandse machten. Zijn moeder, Anna-Marie Berendorf, overleed in Ulbeek  op 4 juni 1773.  Hij stierf er eveneens op 15 april 1788. Het kasteel van Trockart,"op moderne wijze gebouwd", met 32 bonniers en 14 verges (vlaktemaat => 1 verge= 1/4 acre) werd onmiddellijk te koop gesteld en gekocht door:
VIII. Jean-François de Beeffe, goudsmid en klokkenmaker te Luik, die er dikwijls kwam wonen met zijn echtgenote Marie-Ide Ransonnet.
IX. Marie-Catherine-Joséphine de Beeffe, hun dochter, trouwde in 1801 te Ulbeek met Gilbert Ghysens, van Schalkhoven. Ghysens was aan het hoofd van de  gemeente Ulbeek gedurende 54 jaar en bestuurde de gemeente met intelligentie en toewijding. Hij steunde royaal pastoor Pluymaekers met de bouw van de nieuwe kerk, gewijd aan het heilige Kruis. Volgende chronogram, boven de poort van de kerk, roept volgen kerkwijding op : DUCI CRUCIFIXO STRUXIMUS. Ghysens verkreeg als beloning voor zijn lange en trouwe diensten, het ridderkruis van de orde van Léopold, en overleed in 1862. Zijn echtgenote stierf  in 1859 op de leeftijd van 87 jaar. De kinderen zijn:                                     

a) Eugène Ghysens, rechter op de rechtbank van Tongeren, die huwde met N. Delvaux; b) Anne-Catherine-Adélaïde Ghysens, die huwde met Walther-Gérard-Matthieu Jamar van Ans, senator; c) Marie-Elisabeth Ghysens, die huwde met Henri-Guillaume Magis van Luik; d) Joséphine-Catherine Ghysens, non bij de ursulinen te Wellen.


B. Het kasteel van Langdries.

Langdries was in den beginne een groot leengoed van de graven van Looz, waar een verplichte legerdienst aan verbonden was. De eigenaars van dit leengoed namen er de naam van en werden tot ridder beslagen door de graven van Looz.      

I. De twee broers Jean en Guillaume de Langdries, worden vermeld in de oorkonde van 14 februari 1266, van Jean, oudste zoon van Arnoul, graaf van Looz. In die akte staat dat Jean de Langdries de abdij van Herckenrode te Stevoort met 29 "bonniers de terre" verkocht heeft.                                           

Jean en Guillaume de Langdries werden dikwijls opgemerkt in het gevolg van de graaf Arnoul V. Ze waren samen met hem te Stevoort  in 1280. Guillaume vergezelde de graaf mee naar Brussel  en woonde er op 21 juni 1280 zijn huwelijkscontract bij. Op 27 maart 1281, zijn ze opnieuw samen in Hasselt. Op 21 maart 1285, wordt hij samen met Gérard de Berlo, benoemd als scheidsrechter,  om uitspraak te doen over de bestaande geschillen tussen Arnoul V en de hertog van Brabant omtrent de gezamenlijke grenzen van hun land. De twee broers, Jean en Guillaume van Langdries, worden als getuigen vermeld in de oorkonde van 26 januari 1287, waardoor Arnoul V  een verkoop van goederen aan de abdij van Herckenrode goedkeurt. Ze zullen zonder twijfel, onder het bevel van Arnoul, deelgenomen hebben aan de beroemde slag van Woeringen op 5 juni 1288.                                                                             

In zijn "Spiegel der edelen van Haspengouw",  geeft Hemricourt de stamboom van de Langdries.                                                                                                                     

"Een dochter,zij hij, van Breton de Oude van Waroux was gehuwd met Guillaume de Langdries; ze kreeg een zoon, genaamd edele heer Jean, heer van die plaats, die huwde te Luik met Catherine, dochter van de heer Gerard des Canges. Deze Jean was de eerste van  de Langdries die de wapens met gules in bladgoud alsook de leeuw, opnam daar waar hij voorheen de wapens van Cortessem had, die gevierendeeld van goud en keel waren; maar gezien hij de heer van Château-Vilain in Frankrijk goed gediend had, kreeg hij de wapens, en werd hij overstelpt met weldaden, en weerhouden als strijdmakker. Sinds toen, hebben de Langdries, die noch kreet noch wapen hadden, steeds de wapens van het Château-Vilain in Frankrijk genomen, en schreeuwden Langdries. " Die Jean de Langdries waarover Hemricourt spreekt, is waarschijnlijk deze die vermeld staat in de twee oorkondes van 1266 tot 1287, samen met zijn broer Guillaume. Hij had twee zonen: a) Jean de Langdries, hierna; b) Libert de Langdries kanunnik van Saint-Lambert, die bemiddelend optrad voor de vrede van Fexhe in 1316, voor die van Wihogne in 1328, en die van D'Awaus en Waroux in 1334.                                                                                                         

      II. Jean de Langdries huwde Isabelle, oudste dochter van de heer van Warfusée. "Uit dit huwelijk, zei Hemricourt, is  een prachtige en sterke generatie voortgekomen, welke in mijnen tijd zeer  welvarend was en nu volledig geconsumeerd is;  haar wapens zijn verloren."  Deze Jean de Langdries was bevelhebber  van de legers van de prins van Luik gedurende de burgeroorlog van 1315.Toen werd zijn kasteel van Langdries vernield door de legers van de tot een bond verenigde steden. Tijdens de privé-oorlog tussen de D'Awans en de Waroux's , koos hij partij voor deze laatste,  en stierf in 1325 bij de slag van Dammartin. "Van deze heer Jean de Langdries, zei Hemricourt nog , en de dochter van de heer van Warfusée kwamen edele heer Jean, edele heer Gérard, en edele heer Thibaut, ridders; welke edele heren Jean en Thibaut schepen van Luik werden; er kwam ook nog Raes, kanunnik van Saint-Lambert (overleden op 17 juli 1360), en Libert, kanunnik van Saint-Denis (overleden op 21 maart 1344), deze vijf broeders hadden nog een zuster getrouwd met Jean van Waenrode en Binckom."                                                                               

 III. "De oudste, edele heer Jean, was maarschalk van het bisdom Luik en gehuwd met dame Jeanne, zuster van meneer Jean Polarde, ridder en schepen van Luik; hij overleed als oudste zonder erfgenaam terwijl hij provoost van Bouillon was."  In de burgeroorlogen van 1328, werd het kasteel van Langdries opnieuw vernield door de legers van de verenigde steden. De prins benoemde in 1336, Jean van Langdries als gouverneur van het graafschap Looz. Hij werd zo nog vermeld in 1344.                                                                                       

  "Edele heer Gerard van Langdries, vervolgt Hemricourt, huwde te Sint-Truiden, maar niet volgens zijn stand; hij had  enkel een dochter, uitgehuwelijkt aan de heer Jean, heer van Duras, waarvan de erfgenamen in het heden zijn."             

IV. "Thibaut, de derde broer, schepen van Luik, huwde met de dochter van Everard van Paard, hieruit kwamen edele heer Thibaut, die zonder erfgename stierf, en twee dochters, te weten, dame Isabelle, die de vrouw van edele heer Henri van Rocourt werd, en de andere, genaamd jonkvrouw Maroy,  die werd uitgehuwelijkt aan Henrion deBourseut, neef van vermelde edele heer Henri. Genoemde edele heer Thibaut huwde ten tweede met de dochter van Rassekin de Haccourt, weduwe van Jean Maton; waaruit de jonge edele heer Jean de Langdries werd geboren en die zonder erfgenaam stierf na zijn huwelijk met de dochter van de heer van Berlo. "Thibaut de Oude stierf op 21 mei 1357, en werd begraven naast zijn eerste vrouw in de kerk van de Minderbroeders te Luik.                                                                                                                                       

  V. Zijn zoon, Jean de Langdries, stierf op 27 september 1369; van genoemde zei Hemricourt nog het volgende: " Thibaut had een zoon genaamd Jean sans Terre, die ridder was en daarna sire van Langdries, mooi, elegant en aardig; hij overleed,  vrij jong, zonder erfgename ofschoon hij tweemaal getrouwd was; de eerste maal met de dochter van meneer Jean delle Grange,ridder, en de tweede maal met de dochter van de heer van Berlo.  Door het overlijden van deze heer van Langdries gingen de wapens en de bijnamen van Langdries verloren. Het blijkt zo duidelijk dat in een kleine tijdspanne, de naam en het blazoen en de grote rijkdommen van de Langdries zo afgeschreven werden, dat er geen enkele wettige erfgenaam met het wapen en de bijnaam Langdries overblijft; ook de eigen eigendom van Langdries is verdeeld; een deel kwam in vreemde handen die geen stamverwanten zijn, wat medelijden en spijtig is." Hemricourt schreef dit rond 1398.